ik denk aan jou elke seconde van de dag

Nederlandse …………………..

Posted on: 8 juli 2009

De nederlandse woordvolgorde

Misschien weet je al dat de woordvolgorde van een Nederlandse zin ongeveer als volgt is.

onderwerp | persoonsvorm | tijd | manier | plaats | overige werkwoorden

Bijvoorbeeld:

onderwerp persoonsvorm tijd manier plaats overige werkwoorden
Ik heb vanmorgen met tegenzin in de sportschool getraind

In het algemeen is dit correct. Echter, de werkelijkheid is veel ingewikkelder. De meeste zinnen hebben meer zinsdelen dan in het voorbeeld hierboven. Wat doen we, bijvoorbeeld, met het lijdend voorwerp? Het meewerkend voorwerp? Het wederkerende voornaamwoord? En ga zo maar door.

Daarnaast varieert de volgorde van tijd-manier-plaats vaak. Dit hangt af van het type tijd, manier of plaats.

U zei…?

Als je niet geïnteresseerd bent in deze details, houd je dan gewoon aan de volgorde uit het voorbeeld hierboven. Een goede zin maken is niet makkelijk. Misschien leer je het liever in de praktijk dan door een verzameling abstracte regels te leren.

Echter, het kan best nuttig zijn om dit hoofdstuk eens door te bladeren. Misschien lees je wel een paar handige tips.

Praktische benadering

Dit hoofdstuk is een praktische leidraad voor de Nederlandse woordvolgorde. Ik heb geprobeerd om zo min mogelijk moeilijke termen te gebruiken. Soms heb ik om praktische redenen zelf beschrijvende termen bedacht (dit vermeld ik er dan steeds bij).

Voor een meer academische verhandeling over de (Nederlandse) woordvolgorde, is Wikipedia een goed beginpunt: Dit is een externe link, die in een nieuw venster wordt geopend.Word Order, Dit is een externe link, die in een nieuw venster wordt geopend.SOV (subject object verb) word orderDit is een externe link, die in een nieuw venster wordt geopend.V2 word order.

De drie delen van een zin

We beginnen met een basisprincipe. Een Nederlandse zin:

  • begint altijd met het onderwerp (subject) en persoonsvorm
  • eindigt in de overige werkwoorden
links midden rechts
onderwerp en persoonsvorm tijd plaats overige werkwoorden
Loes en Jaap zullen morgen bij ons komen eten

Door [onderwerp + persoonsvorm] and [overige werkwoorden] aan de uiteinden van de zin te plaatsen, kunnen we de zin in drie stukken verdelen:

De linkerzijde

Dit deel begint met het onderwerp en de persoonsvorm. Andere zinsdelen in de linkerzijde: het wederkerend voornaamwoord, en de korte voorwerpen (lijdend en meewerkend).

Het midden

In het midden vind je tijd, plaats, manier en het lijdend voorwerp.

De rechterzijde

De rechterzijde eindigt met de overige werkwoorden. Andere zinsdelen zijn (onder andere) het meewerkend voorwerp, het voorzetselvoorwerp en het voorvoegsel van een scheidbaar werkwoord.

Op de volgende pagina staat een grafische weergave van de woordvolgorde.

Overzicht van de hoofdzin

Zo ziet een Nederlandse zin er dus uit…

In de afbeelding staan afkortingen. Als je je muis over de afbeelding beweegt, zie je de volledige namen.

Als je op een afkorting klikt, ga je naar een andere pagina. Hier wordt het zinsdeel uitgelegd.

Haal maar eens diep adem. De woordvolgorde is echt het moeilijkste aspect van de Nederlandse taal.

Als je dit hoofdstuk hebt gelezen, dan lijken alle andere hoofdstukken opeens vrij gemakkelijk.

O&P = onderwerp en persoonsvorm WVnw = wederkerend voornaamwoord MV’ = kort meewerkend voorwerp
LV’ = kort lijdend voorwerp EHD = er, hier, daar TIJD = wanneer
MANIER = hoe PLAATS = waar LV = lijdend voorwerp
DIV = diverse zinsdelen VSW = voorvoegsel van een scheidbaar werkwoord OW = overige werkwoorden

Hoofdzinnen beginnen vaak met iets ander dan [onderwerp + persoonsvorm]. Of ze eindigen op iets anders dan de [overige werkwoorden].

Sommige zinsdelen zijn flexibel. Ze kunnen op verschillende plaatsen staan. Ze kunnen ook vóór [onderwerp + persoonvorm] of na [overige werkwoorden] staan.

Als je het Nederlands goed beheerst, dan kun je de posities zelf variëren.

Welke zinsdelen moet je echt kennen?

Om de theorie te begrijpen, houd je je aan de volgorde van dit hoofdstuk. Echter, dit vraagt veel concentratie. Niet iedereen heeft hier genoeg geduld voor. Uiteindelijk moet je alle zinsdelen kennen. Maar hiervoor hoef je niet alle theorie te leren. Je kunt het ook in de praktijk leren.

Een beetje theorie kan echter geen kwaad. Als je de volgende zinsdelen kent, kun je al een goede zin vormen:

  • Elke zin heeft een onderwerp en persoonsvorm (O&P). De meeste zinnen hebben meer dan één werkwoord. De overige werkwoorden noemen we OW. Je moet echt weten dat een zin begint met OP en eindigt met OW.
  • Het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp komen veel voor. Het meewerkend voorwerp valt onder ‘diversen’ aan de rechterzijde. Het lijdend voorwerp vinden we in het middenstuk. Het lijdend voorwerp staat óf aan het begin van het middenstuk, óf aan het einde van het middenstuk. Misschien vind je dit te ingewikkeld. Dan plaats je het lijdend voorwerp gewoon altijd aan het einde van het middenstuk. Je zult dan meestal een correcte zin maken. De korte voorwerpen zijn minder belangrijk. Ze komen veel voor, maar het is niet zo erg als je ze verkeerd plaatst.
  • De volgorde tijd-manier-plaats is een goede richtlijn. Als je MANIER en PLAATS verwisselt, is dit niet zo erg. Ze zijn namelijk vrij flexibel. Maar TIJD komt altijd vóór MANIER en PLAATS.

De linkerzijde

De linkerzijde bestaat uit:

  1. Onderwerp en persoonsvorm (O&P)
  2. Wederkerend voornaamwoord (WVnw)
  3. Kort meewerkend voorwerp (MV’)
  4. Kort lijdend voorwerp (LV’)
Left side: finite form, reflexive pronoun, reduced indirect object, reduced direct object

Onderwerp en persoonsvorm

Onderwerp en persoonsvorm zijn twee aparte zindsdelen! We beschouwen ze hier als een eenheid, omdat ze onscheidbaar zijn..

In een hoofdzin is de combinatie ‘onderwerp + persoonsvorm’ onscheidbaar. Ze staan altijd naast elkaar.

Een normale zin begint met het onderwerp.

the finite form

Inversie

Soms begint een zin niet met ‘onderwerp + persoonsvorm’, maar met ‘persoonsvorm + onderwerp’. We hebben ze omgedraaid.

We doen dit in twee situaties:

  • De zin (hoofdzin) begint niet met O&P.
  • De zin is een vraag.

De persoonsvorm en het onderwerp wisselen alleen van plaats; de woorden zelf veranderen niet.

Er is één uitzondering, namelijk de inversie van de 2e persoon enkelvoud (het persoonlijk voornaamwoord jij) : bij inversie schrappen we de letter t, die normaal aan de stam vastzit in de tegenwoordige tijd.

Normaal Je gaat naar Amsterdam.
Inversie Vandaag ga je naar Amsterdam.
Inversie Ga je vandaag naar Amsterdam?

Deze uitzondering geldt alleen voor jij, niet voor de beleefde vorm u.

In een hoofdzin zijn onderwerp en persoonsvorm onscheidbaar. De enige situatie waarin we een ander woord kunnen plaatsen tussen onderwerp en persoonsvorm, is in een bijzin. Dit bespreken we later.

Wederkerend voornaamwoord

Er zijn diverse werkwoorden die een zogenaamd wederkerend voornaamwoord nodig hebben: de zogenaamde wederkerende werkwoorden. Voorbeelden hiervan ‘zich herinneren’, ‘zich verslapen’, ‘zich vergissen’ en ‘zich ergeren’.

het wederkerende voornaamwoord

Zich verslapen:

Ik verslaap me. wij verslapen ons
jij verslaapt je jullie verslapen je
hij verslaapt zich zij verslapen zich

Het wederkerende voornaamwoord staat altijd onmiddellijk na onderwerp en persoonsvorm (O&P).

Het maakt niet uit of het wederkerende werkwoord de persoonsvorm is, of dat het wederkerende werkwoord aan het einde van de zin staat (bij de overige werkwoorden (OW))

Het is mogelijk dat het wederkerende voornaamwoord aan het begin staat (na O&P), maar dat het wederkerende werkwoord helemaal aan het eind staat.

Zich herinneren:

Links Midden Rechts
O&P WVnw LV MANIER OW
Ik kan me dat voorval niet goed herinneren

Zich wassen:

Links Midden Rechts
O&P WVnw TIJD MANIER OW
Hij heeft zich nog nooit met zeep gewassen

Zich wijden aan:

Links Midden Rechts
O&P WVnw DIV OW
Wij hebben ons aan het schrijven van een boek gewijd

In bovenstaande voorbeelden hoort het wederkerende voornaamwoord steeds bij een wederkerend werkwoord in OW. Er bestaan geen wederkerende hulpwerkwoorden. Een wederkerend werkwoord is dus altijd het hoofdwerkwoord in een zin. Als een zin meerdere werkwoorden heeft, dan staat het wederkerende werkwoord altijd bij OW.

Als we het laatste voorbeeld veranderen in een zin zonder OW, zien we dat het wederkerende voornaamwoord meteen op het wederkerend werkwoord volgt:

Links Midden Rechts
O&P WVnw DIV OW
We wijdden ons aan het schrijven van een boek

Kort meewerkend voorwerp  

Zoek niet naar de term ‘kort meewerkend voorwerp’ in je grammaticaboek. Ik heb het alleen bedacht om uit te leggen dat een meewerkend voorwerp op verschillende plaatsen in een zin kan staan. เกาะที่มีต้นปาล์มเกาะที่มีต้นปาล์ม

Het meewerkend voorwerp is de ‘ontvanger’ van het lijdend voorwerp.

Voor het meewerkend voorwerp staat vaak het voorzetsel ‘aan’ of ‘voor’. Bijvoorbeeld: "Ze geeft het boek aan hem" and "Ik heb voor haar een trui gebreid". In het Nederlands hoort het voorzetsel bij het meewerkend voorwerp. De meewerkend voorwerpen zijn dus ‘aan hem’ en ‘voor haar’.

In het Nederlands kunnen we het voorzetsel vaak weglaten. We zeggen dan: "Ze geeft hem het boek", en "Ik heb haar een trui gebreid".

Omdat het meewerkend voorwerp in beide zinnen is gereduceerd tot een enkel voornaamwoord (‘hem’ en ‘haar’), noemen we dit zinsdeel het korte meewerkend voorwerp’.

het korte meewerkend voorwerp

We vinden het meewerkend voorwerp ergens aan de rechterzijde van de hoofdzin. Maar als we het voorzetsel (aan of voor) weglaten, plaatsen we het meewerkend voorwerp in het linkerdeel van de zin.

Links Midden Rechts
O&P MW’ LV OW
Jullie hebben hun de waarheid verteld

Hadden we het voorzetsel aan niet weggelaten, dan zou de zin er heel anders hebben uitgezien:

Links Midden Right
O&P LV MW OW
Jullie hebben de waarheid aan hen verteld

Aan hen is de juiste vorm, maar mensen zeggen ook vaak aan hun. Dit is niet langer meer fout. Zie ook ‘hen’ of ‘hun’?

We kunnen voor ook weglaten. De meeste mensen laten ‘voor’ niet zo vaak weg, maar in sommige delen van Nederland en Vlaanderen is dit heel gewoon.

Links Midden Rechts
O&P MW’ LV OW
Mijn oma heeft mij een trui gebreid

 

Kort lijdend voorwerp

De term ‘kort lijdend voorwerp’ heb ik alleen maar bedacht om uit te leggen op welke plaatsen het lijdend voorwerp in een zin kan staan. Het is dus geen officiële term.

Het lijdend voorwerp is het antwoord op de vraag "Wat [werkwoord] het onderwerp?". [Werkwoord] verwijst naar alle werkwoorden in een zin.

Neem bijvoorbeeld de zin "Hij bakt een appeltaart". Het antwoord op de vraag "Wat bakt hij?", is het lijdend voorwerp, in dit geval ‘een appeltaart’.1

Normaal gesproken plaatsen we het lijdend voorwerp in het midden van de zin, maar hier hebben we het later nog over. Echter, als het lijdend voorwerp slechts uit een enkel voornaamwoord bestaat, dan plaatsen we het in het linkerdeel van de zin.

het korte lijdend voorwerp

De persoonlijk voornaamwoorden die als lijdend voorwerp kunnen dienen zijn me/mij, je/jou, haar, hem, het, ons, jullie en hen. Zie ook persoonlijk voornaamwoorden.

Links Midden Rechts
O&P LV’ TIJD MANIER OW
We hebben hem gisteren nog gezien
Links Midden Rechts
O&P LV’ TIJD PLAATS OW
Hij gaat ze vanavond op Schiphol uitzwaaien

Een voorbeeld van een hoofdzin met een kort lijdend voorwerp en een wederkerend voornaamwoord:

Links Midden Rechts
O&P WVnw LV’ niet OV
Ik kan me haar niet herinneren

Het voornaamwoord ‘het’ is een uitzondering: als korte lijdend voorwerp wordt gevormd door ‘het’, plaatsen we het onmiddellijk na onderwerp en persoonsvorm (O&P). In het voorbeeld hieronder staat het korte lijdend voorwerp vóór het korte meewerkend voorwerp.

Links Midden Rechts
O&P LV’ MV’ OW
Jullie hebben het hun verteld

Een voorbeeld van een kort lijdend voorwerp vóór een wederkerend voornaamwoord: "Ik kan het me niet herinneren."

[1] Door bovenstaande vraag te stellen, krijg je niet altijd het lijdend voorwerp als antwoord. Soms is het antwoord een ‘ondervindend’ voorwerp, zoals in: "Het kan me niet schelen". Als we vragen: "Wat kan het niet schelen?", is het antwoord: "me." Dit is het ondervindend voorwerp. Het staat echter op precies dezelfde plaats als het korte lijdend voorwerp. Het is dus niet zo belangrijk dat je het verschil tussen lijdend voorwerp en ondervindend voorwerp weet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


  • Mr WordPress: Hi, this is a comment.To delete a comment, just log in, and view the posts' comments, there you will have the option to edit or delete them.
%d bloggers op de volgende wijze: