ik denk aan jou elke seconde van de dag

Regelmatige werkwoorden

Posted on: 6 juli 2009

Vervoegingspatronen bij sterke werkwoorden

Vervoegingspatronen

Op deze pagina zie je dezelfde werkwoorden als in de lijst met sterke werkwoorden. Nu staan ze echter gegroepeerd per vervoegingspatroon. De nummers corresponderen met de nummers in de laatste kolom in de lijst met sterke werkwoorden.

[1] Regelmatige verleden tijd, voltooid deelwoord krijgt -en.

Bijvoorbeeld: bannen, bande, gebannen

Werkwoorden in deze groep: bakken, bannen, barsten, behangen, braden, brouwen, heten, hoeven, houwen, lachen, laden, malen, raden, scheiden, spannen, stoten, vouwen, wassen, weven.

[2] e – ie – o, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: bederven, bedierf, bedorven

Werkwoorden in deze groep: bederven, helpen, sterven, werpen, werven, zwerven.

[3] ie – oo – o, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: bedriegen, bedroog, bedrogen

Werkwoorden in deze groep: bedriegen, bieden, genieten, gieten, kiezen, liegen, schieten, verdrieten, vliegen.

[4] i – o -o, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: beginnen, begon, begonnen

Werkwoorden in deze groep: beginnen, binden, blinken, dingen naar, dringen, drinken, dwingen, glimmen, klimmen, klinken, krimpen, schrikken, slinken, spinnen, springen, stinken, vinden, winden, winnen, wringen, zingen, zinken, zinnen.

[5] ij – ee – e, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: rijden, reed, gereden

Werkwoorden in deze groep: bezwijken, bijten, blijken, blijven, drijven, glijden, grijpen, hijsen, kijken, knijpen, krijgen, lijden, lijken, mijden, neerzijgen, nijgen, prijzen, rijden, rijgen, rijten, rijzen, schijnen, schijten, schrijven, slijpen, slijten, smijten, snijden, splijten, spijten, stijgen, stijven, strijden, strijken, verdwijnen, wijken, wijten aan, wijzen, wrijven, zich kwijten van, zwijgen.

[6] e – o – o, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: bergen, borg, geborgen

Werkwoorden in deze groep: bergen, gelden, melken, schelden, schenden, schenken, smelten, treffen, trekken, vechten, vlechten, wegen, zenden, zwelgen, zwellen, zwemmen.

[7] e – a – o, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: bevelen, beval, bevolen

Werkwoorden in deze groep: bevelen, breken, nemen, spreken, steken, stelen.

[8] i – a – e, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: bidden, bad, gebeden

Werkwoorden in deze groep: bidden, liggen, zitten.

[9] a – ie – a, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: laten, liet, gelaten

Werkwoorden in deze groep: laten, slapen, vallen, verraden.

[10] Verleden tijd voltooid deelwoord eindigen op -cht

Bijvoorbeeld: brengen, bracht, gebracht

Werkwoorden in deze groep: brengen, denken, kopen, zoeken.

[11]] ui – oo – o, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: buigen, boog, gebogen

Werkwoorden in deze groep: buigen, druipen, duiken, fluiten, kluiven, kruipen, ontluiken, pluizen, ruiken, schuilen, schuiven, sluipen, sluiten, snuiten, snuiven, spruiten, spuiten, stuiven, zuigen, zuipen.

[12] a – oe – a, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: dragen, droeg, gedragen

Werkwoorden in deze groep: dragen, graven, varen.

[13] e – a – e, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: lezen, las, gelezen

Werkwoorden in deze groep: eten, genezen, geven, lezen, meten, treden, vergeten, vreten.

[14] a – i – a, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: hangen, hing, gehangen

Werkwoorden in deze groep: hangen, vangen.

[15] a – oe – regular voltooid deelwoord

Bijvoorbeeld: jagen, joeg, gejaagd

Werkwoorden in deze groep: jagen, vragen.

[16]] o(e) – ie – o(e), voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: lopen, liep, gelopen

Werkwoorden in deze groep: lopen, roepen.

[17] Past ends in -st, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: moeten, moest, gemoeten

Werkwoorden in deze groep: moeten, weten.

[18] iez – oor – or, voltooid deelwoord krijgt -en

Bijvoorbeeld: verliezen, verloor, verloren

Werkwoorden in deze groep: verliezen, vriezen.

Volledig onregelmatige werkwoorden

In het Nederlands hebben we 11 volledig onregelmatige werkwoorden.

De werkwoorden zijn gegroepeerd op basis van hun vervoegingen in de tegenwoordige tijd. Op de volgende pagina’s bekijken we elk werkwoord afzonderlijk.

zijn hebben
zullen kunnen
gaan slaan
staan zien
doen komen
mogen

We beginnen met de twee belangrijkste werkwoorden: zijn en hebben.

Zijn

We gebruiken het werkwoord zijn op veel verschillende manieren. Het kan een zelfstandig werkwoord zijn, maar ook een koppelwerkwoord. Verder gebruiken we het vaak als hulpwerkwoord voor een voltooid deelwoord.

Tegenwoordige tijd:

ik ben we zijn
je bent jullie zijn
hij is ze zijn

Verleden tijd:

ik was we waren
je was jullie waren
hij was ze waren

Voltooid deelwoord: geweest

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).

 

Hebben

Net als zijn gebruiken we het werkwoord hebben op verschillende manieren. Als zelfstandig werkwoord betekent het ‘bezitten’ of ‘iets in eigendom hebben’. Maar net als zijn kan het ook dienen als hulpwerkwoord voor een voltooid deelwoord. Heel soms gebruiken we hebben in de vorm hebben te, wat moeten betekent.

De tegenwoordige tijd van hebben is vrij regelmatig. Alleen de 3e persoon enkelvoud heeft een onregelmatige stam (‘heeft’).

Tegenwoordige tijd:

ik heb we hebben
je hebt jullie hebben
hij heeft ze hebben

Verleden tijd:

ik had we hadden
je had jullie hadden
hij had ze hadden

Voltooid deelwoord: gehad

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).

 

Zullen en kunnen  

Zullen en kunnen hebben dezelfde klinkerverandering (van ‘u’ naar ‘a’) in het enkelvoud van de tegenwoordige tijd.

Zullen is het hulpwerkwoord voor de toekomende tijd.

Zullen

Tegenwoordige tijd:

ik zal we zullen
je zal/zult jullie zullen
hij zal ze zullen

Verleden tijd:

ik zou we zouden
je zou jullie zouden
hij zou ze zouden

Voltooid deelwoord: gezuld

(*) Je zult en je zal zijn allebei correct. (**) We gebruiken het voltooid deelwoord ‘gezuld’ eigenlijk maar zeer weinig. We gebruiken zullen als hulpwerkwoord voor de toekomende tijd (de toekomst). Dit betekent dat het altijd een ander werkwoord ondersteunt. Als een voltooid deelwoord als hulpwerkwoord dient voor een ander werkwoord, verandert het in een infinitief.

Merk de overeenkomst op tussen zullen en kunnen:

Kunnen

Tegenwoordige tijd:

ik kan we kunnen
je kan/kunt jullie kunnen
hij kan ze kunnen

Verleden tijd:

ik kon we konden
je kon jullie konden
hij kon ze konden

Voltooid deelwoord: gekund

(*) Je kunt en je kan zijn beide correct.

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).

 

Gaan, slaan, staan, zien, doen

Doen, zien, gaan, slaan, staan

Wat hebben deze werkwoorden gemeen?

De overeenkomst tussen gaan, slaan en staan is duidelijk. Ze eindigen allemaal op -aan.

Waarom rekenen we zien en doen ook tot deze groep?

Regelmatige tegenwoordige tijd

Eigenlijk zijn de vijf werkwoorden in de tegenwoordige tijd allemaal regelmatig. Dit betekent dat ze niet thuishoren in de categorie ‘volledig onregelmatige werkwoorden’.

Ik heb ervoor gekozen om deze vijf werkwoorden toch hier te vermelden. Waarom? De infinitieven eindigen niet op -en. Hierdoor kunnen we niet de normale stappen nemen om de werkwoordstam van de infinitief af te leiden.

Stam = infinitief minus ‘-en’

Het eerste wat je hebt geleerd over de stam is dat het de infinitief is minus -en. Het is niet moeilijk om te zien dat dit onmogelijk is voor de werkwoorden gaan, slaan en staan.

Hetzelfde geldt voor doen en zien. Hoewel ze allebei op -en eindigen, is de letter e deel van een vaste klinkercombinatie, niet de normale stomme e die je aan het eind van een infinitief vindt.

Omdat de oe in doen en de ie in zien vaste klinkercombinaties zijn, beschouwen we ze als één lange klinker. Dit is de reden waarom we niet zomaar -en van de infinitief kunnen afhalen.

Stam = infinitief minus ‘-n’

Wat doen we dan in plaats hiervan? Het is eigenlijk heel simpel. Als we de -e moeten laten staan, dan halen we allen -n van de infinitief af. Dus de stam van zien is zie en die van doen is doe.

Klik hier voor de vervoegingen van doen en zien.

Maar! De stam van gaan is niet gaa! En staa en slaa zijn ook fout. Onthoud dat een lettergreep nooit op een dubbele klinker eindigt! De stammen zijn dus ga, sla en sta.

In de 2e en 3e persoon enkelvoud schrijven we echter weer dubbel aa: gaat, slaat en staat. Door de t op het einde hebben we een dubbele klinker nodig om de klinker lang te houden.

Klik hier voor de vervoegingen van gaan, slaan en staan.

Doen en zien

Doen

Voltooid deelwoord: gedaan

Tegenwoordige tijd:

ik doe I do
je doet you do
hij doet he does
we doen we do
jullie doen you do
ze doen they do

Verleden tijd:

ik deed I did
je deed you did
hij deed he did
we deden we did
jullie deden you did
ze deden they did

Werkwoorden met dezelfde vervoeging als doen: zich ontdoen van, verdoen, aandoen of meedoen.

Zien

Voltooid deelwoord: gezien

Tegenwoordige tijd:

ik zie I see
je ziet you see
hij ziet he sees
we zien we see
jullie zien you see
ze zien they see

Verleden tijd:

ik zag I saw
je zag you saw
hij zag he saw
we zagen we saw
jullie zagen you saw
ze zagen they saw

Werkwoorden met dezelfde vervoeging als zien: ontzien, inzien, aanzien, afzien, opzien en overzien.

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).

 

Gaan, slaan, staan

Gaan

Tegenwoordige tijd:

ik ga we gaan
je gaat jullie gaan
hij gaat ze gaan

Verleden tijd:

ik ging we gingen
je ging jullie gingen
hij ging ze gingen

Voltooid deelwoord: gegaan

Vervoegd zoals gaan: ”ontgaan, ondergaan, vergaan, begaan, ontgaan.

Slaan

Tegenwoordige tijd:

ik sla we slaan
je slaat jullie slaan
hij slaat ze slaan

Verleden tijd:

ik sloeg we sloegen
je sloeg jullie sloegen
hij sloeg ze sloegen

Voltooid deelwoord: geslagen

Zelfde vervoeging als slaan: verslaan, afslaan, inslaan, overslaan, ontslaan.

Staan

Tegenwoordige tijd:

ik sta we staan
je staat jullie staan
hij staat ze staan

Verleden tijd:

ik stond we stonden
je stond jullie stonden
hij stond ze stonden

Voltooid deelwoord: gestaan

Vervoegd zoals staan: ontstaan, bestaan, verstaan, misstaan.

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).

 

Komen

De vervoeging van de tegenwoordige tijd van komen is volkomen regelmatig; het is alleen de stam die onregelmatig is:

Tegenwoordige tijd:

ik kom we komen
je komt jullie komen
hij komt ze komen

Verleden tijd:

ik kwam we kwamen
je kwam jullie kwamen
hij kwam ze kwamen

Voltooid deelwoord: gekomen

Zie je de onregelmatigheid?

Misschien herinner je je de eerste stamregel: een infinitief met een lange klinker krijgt altijd een stam met een lange klinker. Dat geldt tenminste voor regelmatige werkwoorden. Komen heeft een lange klinker, dus verwachten we dat de stam ook een lange klinker heeft: koom. Maar neen, de stam is kom.

Werkwoorden met dezelfde vervoeging als ‘komen’: bekomen, ontkomen, overkomen, aankomen.

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).

 

Mogen

In de tegenwoordige tijd heeft het enkelvoud van ‘mogen’ een onregelmatige vervoeging om twee redenen: 1) het krijgt geen ‘t’ in de 2e en 3e persoon; 2) de klinker verandert van ‘o’ naar ‘a’.

Tegenwoordige tijd:

ik mag we mogen
je mag jullie mogen
hij mag ze mogen

Verleden tijd:

ik mocht we mochten
je mocht jullie mochten
hij mocht ze mochten

Voltooid deelwoord: gemogen

Let op! In de voorbeelden hierboven gebruiken we de onbenadrukte vormen van de persoonlijke voornaamwoorden. Sommige persoonlijke voornaamwoorden veranderen als we ze benadrukken: je/jij, we/wij, ze/zij (enkelvoud en meervoud).

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: