ik denk aan jou elke seconde van de dag

Regelmatige werkwoorden

Posted on: 3 juli 2009

                              

regelmatige werkden

Eigenlijk hebben we maar twee tijden: de tegenwoordige tijd en de verleden tijd. Er zijn echter ook een aantal ‘semi-tijden’ die ontstaat door interactie tussen tijd (tegenwoordig of verleden), aspect (gebeurtenis of toestand) en stemming (zeker of hypothetisch).

Dit resulteert in een lijst van acht ‘basistijden’.

1. onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) ik werk
2. onvoltooid verleden tijd (ovt) ik werkte
3. voltooid tegenwoordige tijd (vtt) ik heb gewerkt
4. voltooid verleden tijd (vvt) ik had gewerkt
5. onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) ik zal werken
6. onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) ik zou werken
7. voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) ik zal hebben gewerkt
8. voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) ik zou hebben gewerkt

Voor iedere tijd moet je twee dingen leren:
1. De vervoeging (ik werk, hij werkt enz.)
2. De toepassing: wanneer gebruiken we deze tijd?

Een andere veel voorkomende ‘tijd’, die hier niet genoemd is, is de progressieve vorm: ik ben aan het lopen. Deze vorm zal worden besproken in het volgende hoofdstuk onder aan het continuous en te continuous.

De persoonlijke voornaamwoorden zijn:

1ste enkelvoud ik
2de enkelvoud je/u
3de enkelvoud hij/ze/het
1ste meervoud we
2de meervoud jullie
3de meervoud ze

Nederlands heeft regelmatige en onregelmatige werkwoorden.

Regelmatige werkwoorden volgen dezelfde vervoegeing. Om een regelmatig werkwoord te vervoegen moet je de stam weten. Voordat we gaan kijken naar de vervoeging van werkwoorden, moeten we daarom eerst weten hoe we de stam kunnen afleiden van de infinitief.

de werkwoordstam

Om een Nederlands werkwoord te kunnen vervoegen, moet je eerst weten hoe je de stam kunt maken.

Om de stam te vinden moet je eerst de infinitief hebben. De infinitief is de ‘onvervoegde’ vorm van het werkwoord, de vorm die in woordenboeken staat: werken, zien, weten enz.

De algemene regel om te stam te vinden is:

stam = infinitief min ‘-en’ We noemen dit de ruwe stam, omdat de stam vaak nog een beetje aangepast moet worden.

Een paar regels voor de stam:

  • Infinitieven met een lange klinker hebben ook een stam met een lange klinker
  • Een stam eindigt nooit op twee dezelfde medeklinkers
  • Een stam eindigt nooit op een v of een z
  • De stam van een ‘-iën-werkwoord’ eindigt op ie

Als je het hoofdstuk over de Nederlandse spelling al gelezen hebt, zullen deze regels geen verrassing voor je zijn.

Op de volgende pagina’s worden deze regels verder uitgelegd.

stamregel 1 

Regelmatige werkwoorden kunnen een lange of een korte klinker hebben. In het hoofdstuk over spelling en uitspraak (regels om klinkers lang/kort te houden) heb je geleerd

Infinitieven met een lange klinker hebben ook een stam met een lange klinker

Neem bijvoorbeeld het werkwoord maken.

De ruwe stam vinden we met de regel infinitief min -en:

mak

Dit is een korte klinker (een enkele, gesloten klinker).

Om de klinker lang te houden, moeten we een extra a toevoegen. De stam wordt dan:

maak.

Voorbeelden van zulke werkwoorden zijn:

infinitief ruwe stam stam
nemen nem neem
lopen lop loop
leren ler leer
koken kok kook
breken brek breek
vuren vur vuur
horen hor hoor
weten wet weet

stamregel 2  

Als de ruwe stam eindigt op twee dezelfde medeklinkers, halen we er een af.

Een stam eindigt nooit op twee dezelfde medeklinkers

In het hoofdstuk spelling en uitspraak hadden we al geleerd dat een lettergreep nooit eindigt op twee dezelfde medeklinkers.

infinitief ruwe stam stam
pakken pakk pak
missen miss mis
wennen wenn wen
lukken lukk luk
stoppen stopp stop
vallen vall val

stamregel 3

Als de ruwe stam eindigt op een v of een z (na eventuele correctie voor de lengte van de klinker), veranderen deze letters respectievelijk in f en s.

Een stam eindigt nooit op v of z

Zie ook stemhebbende en stemloze medeklinkers.

infinitief ruwe stam stam correctie
leven lev leef lange klinker correctie en v wordt f
lozen loz loos lange klinker correctie en v wordt f
werven werv werf v wordt f
wuiven wuiv wuif v wordt f
beven bev beef lange klinker correctie en v wordt f
durven durv durf v wordt f
bonzen bonz bons z wordt s

stamregel 4

Er zijn een paar werkwoorden die eindigen op -iën. Het trema op de e geeft aan dat die e het begin is van een nieuwe lettergreep. Normaal wordt ie uitgesproken als ee in het Engelse seek, maar iën wordt uitgesproken als het Engelse ee-ye.

De stam van een -iën werkwoord eindigt op ie

Als we de stam zoeken van een -iën werkwoord, halen we alleen de -n weg. De -e blijft staan, maar het trema verdwijnt. Bijvoorbeeld:

Infinitief ruziën skiën oliën
Stam ruzie skie olie

Nu je de stam van een werkwoord kan vinden, kun je werkwoorden vervoegen in alle acht de tijden. Je zult merken dat je de stam hard nodig hebt om dat goed te doen.

onvoltooid tegenwoordige tijd

We gebruiken de onvoltooid tegenwoordige tijd om aan te geven dat iets nu gebeurt of het geval is. Op de volgende pagina kun je meer lezen over het gebruik van deze tijd. Laten we eerst eens kijken naar de vervoeging.

ik [stam] we infinitief
je [stam] + t jullie infinitief
hij [stam] + t ze infinitief

De werwoorden maken, leren, huren, blaten en koken volgen allemaal Stamregel I: een infinitief met een lange klinker heeft ook een lange klinker in de stam.

  • maken en koken
maken stam: maak koken stam: kook
ik maak ik kook
je maakt je kookt
hij maakt hij kookt
we maken we koken
jullie maken jullie koken
ze maken ze koken
  • leren en huren
leren stam: leer huren stam: huur
ik leer ik huur
je leert je huurt
hij leert hij huurt
we leren we huren
jullie leren jullie huren
ze leren ze huren
  • rusten en blaten
rusten stam: rust blaten stam: blaat
ik rust ik blaat
je rust je blaat
hij rust hij blaat
we rusten we blaten
jullie rusten jullie blaten
ze rusten ze blaten
  • bloeden en leiden
bloeden stam: bloed leiden stam: leid
ik bloed ik leid
je bloedt je leidt
hij bloedt hij leidt
we bloeden we leiden
jullie bloeden jullie leiden
ze bloeden ze leiden

Let op de laatste twee werkwoorden, waarvan de stam eindigt op een -d: ook al hoor je de -t van de tweede en de derde persoon niet, je moet hem wel schrijven!

Let ook op bij werkwoorden waarvan de stam op een -t eindigt: volgens de regel dat een lettergreep nooit eindigt op twee dezelfde medeklinkers, krijgt de stam daar geen extra t voor de tweede en de derde persoon enkelvoud.

  • ruziën en oliën
ruziën stam: ruzie oliën stam: olie
ik ruzie ik olie
je ruziet je oliet
hij ruziet hij oliet
we ruziën we oliën
jullie ruziën jullie oliën
ze ruziën ze oliën
  • neuriën en skiën
neuriën stam: neurie skiën stam: skie
ik neurie ik ski (*)
je neuriet je skiet
hij neuriet hij skiet
we neuriën we skiën
jullie neuriën jullie skiën
ze neuriën ze skiën

(*) De eerste persoon enkelvoud van skiën is een uitzondering: we laten de -e weg.

gebruik van de o.t.t.

In het Nederlands gebruiken we de o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd) vaak. We gebruiken de o.t.t. zelfs voor de toekomst of voor hypothetische situaties.

ik [stam] we infinitief
je [stam] + t jullie infinitief
hij [stam] + t ze infinitief

We gebruiken de o.t.t. in vier gevallen, namelijk om te verwijzen naar:

  1. een gebeurtenis of actie die samenvalt met het moment dat we erover praten;
  2. een actie of situatie die voortduurt, of die steeds opnieuw gebeurt (repetitief);
  3. een gebeurtenis in de toekomst;
  4. een hypothetische ‘als-dan-situatie’.

1. De gebeurtenis of actie valt samen met het moment dat we erover praten

We gebruiken de o.t.t. voor een gebeurtenis die plaatsvindt op het moment dat we erover praten. Als ik zeg: "Ik kijk naar het schilderij", dan kijk ik ernaar terwijl ik het zeg. In plaats van de o.t.t. gebruiken we ook vaak een progressieve vorm: "Ik ben naar het schilderij aan het kijken", of: "Ik sta naar het schilderij te kijken".

Ik neem een hapje.
Het regent.
Ze valt bijna in slaap.

2. Een actie of gebeurtenis die voortduurt of die zich steeds herhaalt.

De actie of gebeurtenis staat los van het moment dat we erover praten.

Ze werkt bij de overheid.
Hij studeert in Groningen.
Ik woon in Gent.

"Ik woon in Gent" is geen moment, maar een voortdurende situatie. Waarschijnlijk woonde ik gisteren ook in Gent en zal ik er morgen nog steeds wonen. In het Nederlands gebruiken we altijd de o.t.t. als de situatie nog steeds voortduurt:

Ik woon al drie jaar in Gent.
Ik tennis al vanaf mijn tiende jaar.
Hij zorgt al jaren voor zijn zieke moeder.

Nog een paar voorbeelden van herhaaldelijke (repetitieve) en habituele acties en gebeurtenissen:

Zij komt altijd te laat.
Hij luistert elke morgen naar de radio.
Ik eet geen vlees.

De vegetariër die zegt: "Ik eet geen vlees", wil zeggen dat hij gewoonlijk (habitueel) geen vlees eet.

3. Acties en gebeurtenissen in de toekomst

We hebben een toekomstige tijd om te praten over acties en gebeurtenissen in de toekomst. Toch gebruiken we in het Nederlands vaak gewoon de o.t.t. We gebruiken dan een bijwoord van tijd (‘morgen’, ‘volgende week’) om duidelijk te maken dat we het over de toekomst hebben.

We eten morgen erwtensoep.
Hij vliegt aanstaande vrijdag naar Rome.
Ik neem er straks nog een.

4. Voorwaardelijke (conditionele) zinnen: als – dan

Na ‘dan’ gebruiken we in het Nederlands soms ‘zullen’ (net als in de toekomstige tijd), maar dit klinkt een beetje stijf. Meestal gebruiken we gewoon de o.t.t.

Als je het licht uitdoet, (dan) kun je de sterren beter zien.
Als alles volgens plan verloopt, (dan) komen ze volgende week terug naar Nederland.
Als je te veel cola drinkt, (dan) krijg je gaatjes in je tanden.

In ‘als-dan-zinnen’ kunnen we ‘dan’ vaak weglaten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: