ik denk aan jou elke seconde van de dag

regelmatige werkwoorden

Posted on: 3 juli 2009

t-en-d-werkwooeden

Voordat we de verleden tijd bespreken, moeten we even stilstaan bij twee soorten werkwoorden.

In het Nederlands maken we onderscheid tussen d- en t-werkwoorden.

Bij een t-werkwoord eindigt de ruwe stam (niet de ‘uiteindelijke stam’) in een van de medeklinkers t, h, f, c, k, s of p.

Alle andere werkwoorden zijn d-werkwoorden. Dit zijn dus werkwoorden waarvan de stam niet eindigt op een van de deze medeklinkers.

’t Kofschip of ’t fokschaap

Het is waarschijnlijk best lastig om al de medeklinkers te onthuoden. Om het makkelijk te maken, gebruiken we het woord t kofschip of t fokschaap. Deze woorden bevatten elk alle medeklinkers van een t-werkwoord.

V- en z-werkwoorden

Onthoud dat je naar de laatste letter van de ruwe stam moet kijken om te beoordelen of het werkwoord een d- of een t-werkwoord is. De v- en z-infinitieven zijn soms wat misleidend:

Infinitief Ruwe stam Stam Laatste letter ruwe stam In ’t kofschip? d- of t-werkwoord?
zweven zwev zweef v nee d-werkwoord
verven verv verf v nee d-werkwoord
lozen
(to dump)
loz loos z nee d-werkwoord
razen raz raas z nee d-werkwoord

Hoewel de stam steeds eindigt op f of s (beide in ’t kofschip) zijn het allemaal d-werkwoorden. De ruwe stam eindigt namelijk steeds op v of z.

de voltooid verleden tijd

We gebruiken de onvoltooid verleden tijd als we het hebben over een gebeurtenis uit het verleden. Op de volgende pagina kun je meer lezen over deze werkwoordstijd.

Waarom moest je nu het verschil kennen tussen d- en t-werkwoorden? De reden hiervoor is dat ze verschillend worden vervoegd. T-werkwoorden krijgen -te(n) in de verleden tijd, d-werkwoorden -de(n).

De vervoeging van een t-werkwoord

ik [stam] + te we [stam] + ten
je [stam] + te jullie [stam] + ten
hij [stam] + te ze [stam] + ten

De vervoeging van een d-werkwoord

ik [stam] + de we [stam] + den
je [stam] + de jullie [stam] + den
hij [stam] + de ze [stam] + den

Voorbeelden

  • merken en wensen
merken stam: merk wensen stam: wens
ik merkte ik wenste
je merkte je wenste
hij merkte hij wenste
we merkten we wensten
jullie merkten jullie wensten
ze merkten ze wensten
  • rusten en kussen
rusten stam: rust kussen stam: kus
ik rustte ik kuste
je rustte je kuste
hij rustte hij kuste
we rustten we kusten
jullie rustten jullie kusten
ze rustten ze kusten

Let op! We schrijven twee t’s (rustten) of twee d’s (bloedden) in de verleden tijd. Je hoort de dubbele d of t niet (we spreken ze gewoon als één letter uit), maar we moeten ze wel dubbel opschrijven. Wij bloeden en wij bloedden klinken hetzelfde maar we bloeden staat in de tegenwoordige tijd en we bloedden in de verleden tijd.

  • bloeden en luisteren
luisteren stam: luister bloeden stam: bloed
ik luisterde ik bloedde
je luisterde je bloedde
hij luisterde hij bloedde
we luisterden we bloedden
jullie luisterden jullie bloedden
ze luisterden ze bloedden
  • roeien en lenen
roeien stam: roei lenen stam: leen
ik roeide ik leende
je roeide je leende
hij roeide hij leende
we roeiden we leenden
jullie roeiden jullie leenden
ze roeiden ze leenden

 

de o.v.t. in de praktijk

In het Nederlands gebruiken we de onvoltooid verleden tijd als we het hebben over een gebeurtenis uit het verleden. Het verschil tussen de onvoltooid verleden tijd en de voltooid tegenwoordige tijd is vaak onduidelijk, zelfs voor Nederlandstaligen. Vaak kun je ze allebei gebruiken.

ik [stam] + te / de we [stam] + ten / den
je [stam] + te / de jullie [stam] + ten / den
hij [stam] + te / de ze [stam] + ten / den

Wanneer gebruik je de onvoltooid verleden tijd? Hiervoor zijn er een paar richtlijnen. We gebruiken de onvoltooid verleden tijd:

  1. voor gebeurtenissen uit het verleden die niets met het heden te maken hebben.
  2. om te beschrijven wat er allemaal gebeurde tijdens een bepaalde gebeurtenis uit het verleden.
  3. om een gebeurtenis of actie uit het verleden te introduceren met het woord ‘toen’.

1. Gebeurtenissen uit het verleden die niets met het heden te maken hebben

Als de gebeurtenis of actie nog steeds relevant is voor het heden, dan gebruiken we meestal de voltooid tegenwoordige tijd. De relevantie voor het heden is natuurlijk zeer subjectief. Onthoud maar dat we de voltooid tegenwoordige tijd veel vaker gebruiken dan de onvoltooid verleden tijd.

Karel de Grote regeerde van 800 tot 814.
De Industriële Revolutie begon in Engeland.

2. Beschrijven wat er allemaal gebeurde tijdens een bepaalde gebeurtenis uit het verleden.

Als we spreken over een (centrale) gebeurtenis uit het verleden, dan gebruiken we de onvoltooid verleden tijd voor alle ‘perifere’ gebeurtenissen om de centrale gebeurtenis heen.

Dat was zo’n natte picknick vorig jaar, weet je nog? Het regende pijpenstelen!
Op zijn verjaardag feliciteerden we hem, zongen we een verjaardagsliedje en gaven we hem een cadeau.
Tijdens de kabinetscrisis was de premier op vakantie.

Om de gebeurtenis in het verleden te plaatsen, gebruiken we meestal de voltooid tegenwoordige tijd (blauw in de voorbeelden hieronder). Alle gebeurtenissen en acties die erop volgen, beschrijven we met de onvoltooid verleden tijd.

We zijn gisteren naar de bioscoop geweest en raad eens wie we daar tegenkwamen?
We zijn dit jaar naar Slovenië op vakantie geweest. We verbleven eerst in een hotel in Ljubljana en daarna logeerden we een week bij vrienden in de buurt van het Bledmeer.
Er is veel commotie rond geweest. Ze zeiden dat hij het geld had verduisterd.

Het laatste voorbeeld geeft je alvast een voorproefje op de voltooid verleden tijd (‘had verduisterd’).

3. Een gebeurtenis of actie uit het verleden introduceren met het woord ‘toen’

Als we over het verleden praten door te beginnen met het woordje ‘toen’, gebruiken we meestal de onvoltooid verleden tijd. Als we de voltooide tijd gebruiken, dan moet het de voltooid verleden tijd zijn.

Toen ik wakker werd, scheen de zon volop.
Toen we terugkwamen van vakantie, schrokken we ons kapot: er liepen allemaal kakkerlakken in de badkamer!
Toen je drie jaar werd , kreeg je een knuffelbeer met een grote rode hoed.

 

het voltooid deelwoord

Voor de voltooide tijden gebruiken we het voltooid deelwoord. We maken hierbij onderscheid tussen t-werkwoorden en d-werkwoorden (net zoals we dat deden voor de onvoltooid verleden tijd). Om te bepalen of een werkwoord een d- of een t-werkwoord is, kijken we naar de laatste letter van de stam. Als deze eindigt op t, h, f, c, k, s of p ( ’t kofschaap), dan is het een t-werkwoord. Alle andere werkwoorden zijn d-werkwoorden.

Voltooid deelwoord = ge + [stam] + t of d

Of het voltooid deelwoord eindigt op een -t of een -d hangt ervan af het werkwoord een d- of een t-werkwoordis.

maken stam: maak
(t-werkwoord)
voltooid deelwoord:
ge + maak + t
= gemaakt
luisteren stam: luister
(d-werkwoord)
voltooid deelwoord:
ge + luister + d
= geluisterd

We gebruiken de regel "ge + stem + t/d" voor bijna alle regelmatige werkwoorden.

Twee punten om te onthouden voor het voltooid deelwoord:

1. Een voltooid deelwoord eindigt nooit op dubbel t of dubbel d

Als de stam op -t eindigt, voegen we geen extra ‘t’ toe. Hetzelfde geldt voor de letter ‘d’. Dit is niet echt een uitzondering, als je je herinnert dat een lettergreep nooit eindigt op twee identieke medeklinkers.

rusten wordt niet:
ge + rust + t
maar: ge + rust
= gerust
bloeden wordt niet:
ge + bloed + d
maar: ge + bloed
= gebloed

2. De voorvoegsels be-, er-, ge-, her-, ont- en ver

Alle werkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her-* , ont-, en ver- krijgen geen ge – voor het voltooid deelwoord. Het voorvoegsel vervangt ge: de regel voor het vormen van een voltooid deelwoord is hier: (geen ‘ge-‘) stam + t/d.

infinitief voltooid deelwoord
verdelen stam+d = verdeeld
geschieden stem (geen extra ‘d’) = geschied
betalen stam+d = betaald
ontdekken stam+t = ontdekt
erkennen stam+d = erkend
herkennen stam+d = herkend

In de categorie van ‘her-werkwoorden’ zijn er een paar uitzonderingen:

infinitief voltooid deelwoord
herbergen ge+stam+d = geherbergd
herhuisvesten ge+stam (geen t ) = geherhuisvest
herstructureren ge+stam+d = geherstructureerd

 

de voltooid tegenwoorde tijd

Voor de voltooide tijd gebruiken we meestal het werkwoord hebben. Voor een paar werkwoorden gebruiken we zijn. Zie ook hebben en zijn en het voltooid deelwoord.

Het werkwoord dat op hebben of zijn volgt, noemen we het voltooid deelwoord. Net als bij de onvoltooid verleden tijd, moet je het verschil weten tussen d- en t-werkwoorden.

Hebben en zijn zijn beide onregelmatige werkwoorden.

ik heb/ben + voltooid deelwoord we hebben/zijn + voltooid deelwoord
je hebt/bent + voltooid deelwoord jullie hebben/zijn + voltooid deelwoord
hij heeft/is + voltooid deelwoord ze hebben/zijn + voltooid deelwoord

Een paar voorbeelden van de vervoegen in de voltooid tegenwoordige tijd:

  • blaffen en branden
blaffen stam: blaf branden stam: brand
ik heb geblaft ik heb gebrand
jij hebt geblaft je hebt gebrand
hij heeft geblaft hij heeft gebrand
we hebben geblaft we hebben gebrand
jullie hebben geblaft jullie hebben gebrand
zij hebben geblaft ze hebben gebrand
  • zaaien en groeien
zaaien stam: zaai groeien* stam: groei
ik heb gezaaid ik ben gegroeid
je hebt gezaaid je bent gegroeid
hij heeft gezaaid hij is gegroeid
we hebben gezaaid we zijn gegroeid
jullie hebben gezaaid jullie zijn gegroeid
ze hebben gezaaid ze zijn gegroeid

(*) Voor het voltooid deelwoord van groeien gebruiken we zijn”.

Op de volgende pagina kun je lezen wanneer we de voltooid tegenwoordige tijd gebruiken.

de v.t.t. in de praktijk

We gebruiken de voltooid tegenwoordige tijd voor acties en gebeurtenissen uit het verleden. Dit is een beetje verwarrend, want we zeiden precies hetzelfde over de onvoltooid verleden tijd!

Nederlandstaligen halen de twee werkwoordstijden zelf ook vaak door elkaar. Er zijn namelijk geen strikte regels die ons vertellen wanneer we welke werkwoordstijd moeten gebruiken. We hebben alleen een paar richtlijnen.

Misschien vind je het wel vervelend, dit gebrek aan duidelijke regels. Je kunt het ook positief bekijken: welke tijd je ook kiest, je kiest nooit echt de verkeerde tijd.

ik heb/ben + voltooid deelwoord we hebben/zijn + voltooid deelwoord
je hebt/bent + voltooid deelwoord jullie hebben/zijn + voltooid deelwoord
hij heeft/is + voltooid deelwoord ze hebben/zijn + voltooid deelwoord

Een advies: lees eerst de pagina over de onvoltooid verleden tijd. Als je weet wanneer je de onvoltooid verleden tijd moet gebruiken, dan kun je in alle andere gevallen de voltooid tegenwoordige tijd gebruiken.

Als we spreken over een gebeurtenis uit het verleden, kiezen we meestal voor de voltooid tegenwoordige tijd.

Hij heeft haar vandaag al drie keer gebeld .
Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest !
Afgelopen zaterdag hebben we lang uitgeslapen .

Vaak combineren we de voltooid tegenwoordige tijd met de onvoltooid verleden tijd. Met de voltooid tegenwoordige tijd geven we aan dat de centrale gebeurtenis in het verleden ligt. Met de onvoltooid verleden tijd beschrijven we alle gebeurtenissen die eromheen plaatsvonden. Zie onvoltooid verleden tijd in de praktijk voor voorbeelden.

de voltooid verleden tijd

De voltooid verleden tijd werkt hetzelfde als de voltooid tegenwoordige tijd, maar nu gebruiken we de verleden tijd van de werkwoorden hebben of zijn voor het voltooid deelwoord.

ik had/was + voltooid deelwoord we hadden/waren + voltooid deelwoord
je had/was + voltooid deelwoord jullie hadden/waren + voltooid deelwoord
hij had/was + voltooid deelwoord ze hadden/waren + voltooid deelwoord
  • praten en luisteren
praten stam: praat luisteren stam: luister
ik had gepraat ik had geluisterd
jij had gepraat je had geluisterd
hij had gepraat hij had geluisterd
we hadden gepraat we hadden geluisterd
jullie hadden gepraat jullie hadden geluisterd
zij hadden gepraat ze hadden geluisterd
  • vallen en betalen
vallen* stam: val betalen stam: betaal
ik was gevallen ik had betaald
jij was gevallen je had betaald
hij was gevallen hij had betaald
we waren gevallen we hadden betaald
jullie waren gevallen jullie hadden betaald
zij waren gevallen ze hadden betaald

Voor het voltooid deelwoord van het sterke werkwoord ‘vallen’ gebruiken we zijn.

de v.v.t. in de praktijk

We gebruiken de voltooid verleden tijd als we spreken over een gebeurtenis in het verleden die plaatsvond vóór een andere gebeurtenis in het verleden.

ik had/was + voltooid deelwoord we hadden/waren + voltooid deelwoord
je had/was + voltooid deelwoord jullie hadden/waren + voltooid deelwoord
hij had/was + voltooid deelwoord ze hadden/waren + voltooid deelwoord

Stel je voor dat we in een theater zijn. We zien een toneelstuk dat jij al eerder hebt gezien.

Morgen zal ik zeggen: "Gisteren hebben we een toneelstuk gezien dat jij al eerder had gezien".

Dat jij het toneelstuk had gezien, was gisteren al verleden tijd. Het was dus verleden tijd in het verleden. Voor dit verleden-verleden moment gebruiken we de voltooid verledent tijd.

Toen wij aankwamen, waren de meeste gasten al gearriveerd.
Anderlecht heeft de wedstrijd gewonnen maar dat hadden we al voorspeld.
Nadat we hadden uitgelegd dat we onze vlucht hadden gemist, lieten ze ons in de vertrekhal slapen.

 

de toekomst

Voor de ‘onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd’ (de toekomst) gebruiken we het hulpwerkwoord zullen. Althans, zo leren we dat op school. In het dagelijks leven gebruiken we andere manieren om over de toekomst te praten. Op de volgende pagina kun je meer lezen over het gebruik van de toekomende tijd.

zullen is een onregelmatig werkwoord.

ik zal + infinitief we zullen + infinitief
je zal/zult + infinitief jullie zullen + infinitief
hij zal + infinitief ze zullen + infinitief

Je zult en je zal betekenen hetzelfde en zijn beide correct. Sommige mensen zeggen liever ‘zult’, andere mensen zeggen liever ‘zal’.

Voorbeelden

  • praten en luisteren
praten stam: praat luisteren stam: luister
ik zal praten ik zal luisteren
jij zult/zal praten je zult/zal luisteren
hij zal praten hij zal luisteren
we zullen praten we zullen luisteren
jullie zullen praten jullie zullen luisteren
zij zullen praten ze zullen luisteren
  • vallen en betalen
vallen stam: val betalen stam: betaal
ik zal vallen ik zal betalen
jij zal/zult vallen je zal/zult betalen
hij zal vallen hij zal betalen
we zullen vallen we zullen betalen
jullie zullen vallen jullie zullen betalen
zij zullen vallen ze zullen betalen

de toekomst in de praktijk

Op school leren de meesten dat we voor de toekomst zullen + infinitief gebruiken.

Dit is echter een nogal formele manier om over de toekomst te praten. Op ons forum kun je hierover een aantal interessante berichten lezen: $LINK}The use of zullen

ik zal + infinitief we zullen + infinitief
je zult + infinitief jullie zullen + infinitief
hij zal + infinitief ze zullen + infinitief

Op deze pagina leer je hoe we meestal over de toekomst praten. Maar eerst bespreken we het gebruik van zullen + infinitief.

Wanneer gebruiken zullen + infinitief?

We gebruiken zullen + infinitief:

  • voor een belofte of een voorstel
  • om te benadrukken dat iets zeker zal gebeuren
  • om te zeggen dat iets waarschijnlijk zal gebeuren (door de waarschijnlijkheid expliciet te vermelden)

Nu vraag je je misschien af wanneer we deze constructie niet gebruiken. We gebruiken deze constructie niet als we terloops over de toekomst praten. We hebben het dan niet over een belofte of een voorstel. Ook zeggen we niet hoe waarschijnlijk (‘zeker’, ‘waarschijnlijk’) het is dat de gebeurtenis plaatsvindt.

  • Een belofte, voorstel of plan:
Ik zal het nooit meer doen!
Zal ik de afwas doen?
Ik zal daar geen genoegen meenemen!
  • Benadrukken dat iets zeker gaat gebeuren:
Je zult dat nog nodig hebben.
Het zal niet makkelijk zijn.
Daar zal niet veel van overblijven.
  • Uitdrukken dat een gebeurtenis waarschijnlijk plaatsvindt door de waarschijnlijkheid expliciet te vermelden.

De ‘waarschijnlijkheid’ staat steeds in het blauw vermeld.

Hij zal het waarschijnlijk morgen bekendmaken.
Het zal morgen wel weer regenen.
Je zult haar wel herkennen.

We gebruiken het modale partikel ‘wel’ vaak (zie ook ons forumonderwerp interne link Nogmaals over zinnen met het woord wel). Als we het woordje ‘wel’ combineren met ‘zullen’ betekent het ‘waarschijnlijk’.

Hoe praten we meestal over de toekomst in het Nederlands?

In de praktijk gebruiken we vaak het werkwoord gaan in plaats van zullen.

We gebruiken het:

  • voor een voorgenomen/geplande actie (niet een belofte of voorstel)
  • om te zeggen dat een gebeurtenis waarschijnlijk zal plaatsvinden (zonder de zekerheid/waarschijnlijkheid te vermelden).
Ik ga vanavond pannenkoeken bakken.
Dit jaar gaan we nog veel leuke dingen doen.

year.

Zij gaat morgen een liedje voor ons zingen.
Het gaat morgen regenen.

Als we het moment dat de gebeurtenis plaatsvindt expliciet vermelden, gebruiken we meestal gewoon de onvoltooid tegenwoordige tijd.

De bijwoorden van tijd staan in het blauw aangegeven.

Ik bak vanavond pannenkoeken.
Dit jaar doen we nog veel leuke dingen.
Ze zingt morgen een liedje voor ons.
We doen het de volgende keer samen.

de voltooide toekomst

De voltooide toekomst of de ‘voltooid tegenwoordige toekomende tijd’ (v.t.t.t.) is vrij ongebruikelijk in het Nederlands. We gebruiken het als we willen zeggen dat iets ‘zal zijn gebeurd’ in de toekomst. Op de volgende pagina lees je meer over het gebruik van deze werkwoordstijd.

Voor de vervoeging van de v.t.t.t. moet je een combinatie maken van je kennis van de toekomende en de voltooide tijd. Lees deze pagina’s eerst, want anders zul je niet veel begrijpen van de vervoeging hieronder.

ik zal hebben/zijn + voltooid deelwoord
je zult hebben/zijn + voltooid deelwoord
hij zal hebben/zijn + voltooid deelwoord
we zullen hebben/zijn + voltooid deelwoord
jullie zullen hebben/zijn + voltooid deelwoord
ze zullen hebben/zijn + voltooid deelwoord
  • redden en lenen
redden stam: red lenen stam: leen
ik zal hebben gered ik zal hebben geleend
jij zal hebben gered je zal hebben geleend
hij zal hebben gered hij zal hebben geleend
we zullen hebben gered we zullen hebben geleend
jullie zullen hebben gered jullie zullen hebben geleend
zij zullen hebben gered ze zullen hebben geleend
  • spelen en gaan
spelen stam: speel gaan* stam: ga
ik zal hebben gespeeld ik zal zijn gegaan
jij zal hebben gespeeld je zal zijn gegaan
hij zal hebben gespeeld hij zal zijn gegaan
we zullen hebben gespeeld we zullen zijn gegaan
jullie zullen hebben gespeeld jullie zullen zijn gegaan
zij zullen hebben gespeeld ze zullen zijn gegaan

Gaan is een onregelmatig werkwoord en bovendien gebruiken we zijn in plaats van hebben.

de voltooide toekomst in de praktijk

We gebruiken de voltooide toekomst of de ‘voltooid tegenwoordige toekomende tijd’ (v.t.t.t.) om te zeggen dat iets in de toekomst ‘zal zijn gebeurd’.

Als ik om 16.00 uur een opdracht moet inleveren, kan ik zeggen: "Ik zal de opdracht om 16.01 uur hebben ingeleverd".

ik zal hebben/zijn + voltooid deelwoord
je zult hebben/zijn + voltooid deelwoord
hij zal hebben/zijn + voltooid deelwoord
we zullen hebben/zijn + voltooid deelwoord
jullie zullen hebben/zijn + voltooid deelwoord
ze zullen hebben/zijn + voltooid deelwoord

In he Nederlands gebruiken we deze werkwoordstijd niet vaak. In plaats van de voltooide toekomst (v.t.t.t). gebruiken we meestal de voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.).

[v.t.t.t. – minder gebruikelijk]
Morgen zal ze het allemaal zijn vergeten.
[present perfect – common]
Morgen is ze het allemaal vergeten.
[v.t.t.t. – minder gebruikelijk]
Als de crisis voorbij is, zal het probleem nog niet zijn opgelost.
[v.t.t. – gebruikelijk]
Als de crisis voorbij is, is het probleem nog niet opgelost.

de ‘hypothetische’tijd

De hypothetische tijd noemen we ook wel de ‘onvoltooid verleden toekomende tijd’ (o.v.t.t.).

We gebruiken de o.v.t.t. voor hypothetische situaties. Op de volgende pagina wordt dit uitgelegd.

De o.v.t.t. werkt net zoals de toekomstige tijd, maar in plaats van de tegenwoordige tijd van van zullen gebruiken we de verleden tijd:

ik zou + infinitive we zouden + infinitive
je zou + infinitive jullie zouden + infinitive
hij zou + infinitive ze zouden + infinitive

Voorbeelden

  • zeggen en luisteren
zeggen stam: zeg luisteren stam: luister
ik zou zeggen ik zou luisteren
jij zou zeggen je zou luisteren
hij zou zeggen hij zou luisteren
we zouden zeggen we zouden luisteren
jullie zouden zeggen jullie zouden luisteren
zij zouden zeggen ze zouden luisteren
  • springen en betalen
springen stam: spring betalen stam: betaal
ik zou springen ik zou betalen
jij zou springen je zou betalen
hij zou springen hij zou betalen
we zouden springen we zouden betalen
jullie zouden springen jullie zouden betalen
zij zouden springen ze zouden betalen

 

de ‘hypothetische’ tijd in de praktijk

ik zou + infinitief we zouden + infinitief
je zou + infinitief jullie zouden + infinitief
hij zou + infinitief ze zouden + infinitief

We gebruiken de o.v.t.t. voor hypothetische situaties.

De meest gebruikelijke vorm is de ‘voorwaardelijke’ (of ‘conditionele’) constructie:

Als aan bepaalde voorwaarden (X) werd voldaan, dan zou er sprake zijn van (een hypothetische) situatie (Y).

Voor meer realistische situaties (dus minder hypothetisch), gebruiken we meestal gewoon de tegenwoordige tijd.

Tegenwoordige tijd en toekomende tijd

Hoewel we de verleden tijd van zullen (zouden) gebruiken, spreken we over hypothetische situaties in het heden of in de toekomst. Voor hypothetische situaties in het verleden gebruiken we de hypothetische verleden tijd.

Als-dan-situaties

Dat zou ik niet doen als ik jou was.
Als hij niet zo verlegen was, zou hij meer vrienden hebben.

Soms is de als-dan-structuur niet duidelijk zichtbaar:

We zouden ons maar vervelen (als we er te lang bleven)
Dat zou wel heel vreemd zijn. (als het waar is wat je zegt)

In het Nederlands zijn we flexibel in het gebruik van de werkwoordstijden in als-dan-zinnen.

Hieronder staan vier manieren om hetzelfde te zeggen en ze zijn allemaal correct!

Als ik opnieuw moest kiezen,
dan zou ik hetzelfde kiezen.
Als ik opnieuw zou moeten kiezen,
dan koos ik hetzelfde.
Als ik opnieuw zou moeten kiezen,
dan zou ik hetzelfde kiezen.
Als ik opnieuw moest kiezen,
dan koos ik hetzelfde.

In bovenstaande zinnen hebben we steeds verleden tijd en de hypothetische tijd gebruikt. Het maakt niet uit welke tijd we gebruiken: we kunnen twee verschillende tijden kiezen (zoals in de eerste twee zinnen) of twee dezelfde (zoals in de laatste twee zinnen).

Zoals-het-zou-moeten-situaties

We gebruiken zouden en zouden moeten ook als we spreken over hoe het zou moeten zijn volgens onze normen, plannen of verwachtingen. Zouden:

Hij zou vandaag op tijd komen (maar hij was wéér te laat).
Ze zouden erover ophouden (maar nu hebben ze het er weer over).
Hij zou tot januari blijven.

Zouden moeten:

Ik zou mijn tentamens beter moeten voorbereiden.
We zouden daar niet te lang moeten blijven.
Dat zou je moeten weten.

Beleefde vorm

Om beleefd te klinken, gebruiken we vaak zouden.

Als we beleefd een verzoek doen, voegen we bovendien het bijwoord graag toe.

Ik zou graag een retourtje Leiden willen.
We zouden graag eens Damascus bezoeken.

We gebruiken zou(den) ook om een suggestie te doen in de vorm van een vraag:

Zou het niet makkelijker zijn als je gewoon een schaar gebruikte?
Zou het niet verstandig zijn als je een warmere jas aantrok?

 
de hypothetische verleden tijd

Op de vorige pagina hebben we de hypothetische tijd besproken. Deze verwijst naar hypothetische situaties in het heden en in de toekomst.

Daarnaast hebben we ook een hypothetische verleden tijd. Deze tijd noemen we ook wel de ‘voltooid verleden toekomende tijd’ of v.v.t.t.

De vervoeging van deze werkwoordstijd is bijna hetzelfde als die van de voltooide toekomst (v.t.t.t.). Het enige verschil is het hulpwerkwoord zullen. In plaats van de tegenwoordige tijd, gebruiken we de verleden tijd (zouden).

ik zou hebben/zijn + voltooid deelwoord
je zou hebben/zijn + voltooid deelwoord
hij zou hebben/zijn + voltooid deelwoord
we zouden hebben/zijn + voltooid deelwoord
jullie zouden hebben/zijn + voltooid deelwoord
ze zouden hebben/zijn + voltooid deelwoord

Voorbeelden

  • dansen en rennen
dansen stam: dans rennen stam: ren
ik zou hebben gedanst ik zou hebben gerend
jij zou hebben gedanst je zou hebben gerend
hij zou hebben gedanst hij zou hebben gerend
we zouden hebben gedanst we zouden hebben gerend
jullie zouden hebben gedanst jullie zouden hebben gerend
zij zouden hebben gedanst ze zouden hebben gerend
  • wachten en vertrekken
wachten stam: wacht vertrekken* stam: vertrek
ik zou hebben gewacht ik zou zijn vertrokken
jij zou hebben gewacht je zou zijn vertrokken
hij zou hebben gewacht hij zou zijn vertrokken
we zouden hebben gewacht we zouden zijn vertrokken
jullie zouden hebben gewacht jullie zouden zijn vertrokken
zij zouden hebben gewacht ze zouden zijn vertrokken

Vertrekken is een sterk werkwoord en we gebruiken zijn in plaats van hebben.

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: